De ‘braave Naerebouten’

De schipbreuk van de Woestduyn

Zelandia Illustrata III-232Het vergaan van de Woestduyn voor Walcheren. Gravure door en naar tekening van D. de Jong met adres van J. de Leeuw, 1779. Hoog 32 cm, breed 41,5 cm. In bruikleen bij het Zeeuws Archief.

Zelandia Illustrata III-232 Het vergaan van de Woestduyn voor Walcheren.  Gravure door en naar tekening van D. de Jong met adres van J. de Leeuw, 1779.  Hoog 32 cm, breed 41,5 cm.  In bruikleen bij het Zeeuws Archief.

In de middag van zaterdag 24 juli 1779 strandde het VOC-schip Woestduyn,dat onder schipper Gerrit Berg met 130 mensen en een grote lading Oosterse producten uit Batavia terugvoer naar Middelburg. Ze liepen vast op de zandplaat de Noorderrassen voor de Walcherse kust tussen Westkapelle en Zoutelande. De Texelse loods Matthijs Wiegman, die tegen zijn zin aan boord was gebracht, kende het vaarwater onvoldoende en in het onstuimige weer ging het dan ook helemaal mis. Slechts één sloep met zeven man wist met veel moeite rond vijf uur de kust bij Zoutelande te bereiken. Ze hadden met hoeden en mutsen het water uit de boot moeten scheppen. Om de Woestduyn lichter te maken, ging de bemanning omstreeks acht uur over tot het kappen van de masten. Kort daarna brak het schip echter in stukken. De paniek was enorm. Frans Naerebout en zijn oudere broer Jacob, die met vissen en loodsen hun brood verdienden, ondernamen vanuit Vlissingen twee keer een succesvolle reddingspoging. In de nacht van zaterdag 24 op zondag 25 juli vond de eerste, op zondagmiddag 25 juli de tweede poging plaats. De gebroeders Naerebout wisten 87 van de 130 opvarenden te redden, ongeveer 15 mensen verdronken. Degenen die zich vast hadden kunnen klampen aan wat er van het schip restte, werden voor het grootste deel gered. Van de lading werd vrijwel niets geborgen. Frans en Jacob Naerebout kregen dankzij hun heldhaftig optreden landelijke bekendheid. Jacob overleed vrij kort daarna, Frans heeft nog enige malen blijk gegeven van zijn moed en stuurmanskunst.

Een Texelse loods

Zelandia Illustrata I-185Zeekaart van Oostende tot de kop van Schouwen. Gravure door Joannes van Keulen en zonen te Amsterdam naar tekening door Stephanus van der Loeff, burgemeester van Veere, en Bonifacius Cau, Kapitein ter Zee, 1774. Hoog 62,5 cm, breed 62 cm. In bruikleen bij het Zeeuws Archief.

Zelandia Illustrata I-185 Zeekaart van Oostende tot de kop van Schouwen.  Gravure door Joannes van Keulen en zonen te Amsterdam naar tekening door Stephanus van der Loeff, burgemeester van Veere,  en Bonifacius Cau, Kapitein ter Zee, 1774.  Hoog 62,5 cm, breed 62 cm.  In bruikleen bij het Zeeuws Archief.

Op deze kaart werden de nieuwste gegevens over de dieptes, zandbanken en betonning verwerkt. Als basis diende waarschijnlijk een VOC-kaart, gedrukt tussen 1735 en 1740. Voor de welvaart van Walcheren was de scheepvaart van groot belang. De Schelde was een verraderlijk vaarwater door zijn vele ondieptes en zandbanken. Het was dan ook voor de zeevarenden essentieel dat zij over goede zeekaarten beschikten.
In de Middelburgse Courant van 26 juli werd de schuldvraag over de stranding van de Woestduyn uitdrukkelijk aan de orde gesteld. Het was een Texelsche Loots, die door Onkunde, het schip verzeyld heeft, zo schreef de krant. Uit andere berichten weten we dat Mathijs Wiegman als een van de laatsten gered werd uit hoofde van eene te groote en langdurige zorge, welke hij voor zijn eigen goed droeg. En dat hij eerst in Vlissingen en later in Middelburg gevangen heeft gezeten, voordat hij veroordeeld werd: gegeeseld, gebrandmerkt, en na het zwaerd over het hoofd gehad te hebben, gebannen. Maar hoe schuldig was Wiegman? En wat deed een loods uit Texel op een schip in de Scheldemonding?

 

 

Zelandia Illustrata II-8-10 en II-8-11De kust van Walcheren van Westkapelle tot Vlissingen. Twee pentekeningen uit een serie van 27 tekeningen door A. Moleyn, 1737. Hoog 32 cm, breed 20 cm. In bruikleen bij het Zeeuws Archief.

Zelandia Illustrata II-8-10 en II-8-11 De kust van Walcheren van Westkapelle tot Vlissingen.  Twee pentekeningen uit een serie van 27 tekeningen door A. Moleyn, 1737.  Hoog 32 cm, breed 20 cm.  In bruikleen bij het Zeeuws Archief.

Het drama van de Woestduyn begon al dagen voordat het schip in het zicht van de haven op een zandbank liep. Gebouwd in Amsterdam in 1767, was het schip bijna aan het einde van zijn zesde reis naar Indië. Naast een rijke lading handelswaar, zoals peper, nootmuskaat, nagelen, drakebloed (een bloedrode hars), gom, tin en katoen, bevond zich ook een groep vrouwen en kinderen aan boord. Het schip maakte deel uit van de vloot die in november 1778 uit Batavia was vertrokken. Samen met deGroenendaal koerste de Woestduyn op 17 juli 1779 tegen zonsondergang Het Kanaal in onder begeleiding van het oorlogsfregat deBoreas. De Zeeuwse loodshoeker, die het konvooi bij Beachy Head aan de Engelse kust opwachtte, werd ongelukkigerwijs door geen van de schepen waargenomen. Ter hoogte van Dover werd de volgende morgen tevergeefs naar de wal geseind met het verzoek om een loods te sturen. De ongeduldige kapitein van de Boreas kwam toen met een eigen oplossing: een Texelse loods, die toevallig bij hem aan boord was, werd onder dwang overgezet op de Woestduyn. Wiegman wachtte nog een dag vanwege het slechte weer. Op 24 juli zette hij koers naar de toren van Westkapelle.

Moleyn, adelborst aan boord van het schip ’t Hoff niet altijd zomer, tekende vanaf het schip de kust van Walcheren. Kerktorens waren een belangrijk oriëntatiepunt voor zeevarenden.

Jacobus Bellamy

Hs. 2281 Brief van Jacobus Bellamy aan Gabriel Manne, Vlissingen, 24 en 26 juli 1779. Bijna geheel onleesbaar door waterschade 1940. In bruikleen bij de Zeeuwse Bibliotheek.

Hs. 2281  Brief van Jacobus Bellamy aan Gabriel Manne, Vlissingen, 24 en 26 juli 1779.  Bijna geheel onleesbaar door waterschade 1940.  In bruikleen bij de Zeeuwse Bibliotheek.

De dichter Jacobus Bellamy uit Vlissingen schreef al een dag na de gebeurtenissen in een brief aan zijn vriend Gabriël Manne in Spa over de stranding van het schip en de schuld van de loods. In de brief, waarin hij in poëtische stijl over de schipbreuk schrijft, meldde hij dat de gansche zee bedekt was met waaren uit het oosten. De geurige thee met de heete peper dreven omringt van schoone gevlamde riete staven naar onze stranden. Vermoedelijk doelde hij met dat laatste op uit Bima op Sumbawa afkomstig sappanhout, roodkleurend verfhout, dat tot de lading van de Woestduyn behoorde. Bellamy’s brief is de basis geweest van een langer stuk De Schipbreuk dat hij in proza publiceerde in de Vaderlandsche Letteroefeningen van 1780. In tegenstelling tot zijn schrijven aan Manne, krijgt de redding hier meer aandacht dan de schipbreuk en heeft hij het niet over wangunstige zeegoden of een schrikkelijk monster. De brief is gedrukt in Leven en werken van Jacobus Bellamy (1757-1786), dl. I, Leiden, 1917, 34 e.v. van J. Aleida Nijland. Passages van bladzijde 3 en 4 uit deze brief zijn overgenomen uit Nijland.

Ten Noorden van het Eiland der Zeeuwen ver in zee ligt een vreeselijke bank van ouds bij het zeevolk met tsidderinge beschoud, men zegt dat ze bewoont wordt door verschrikkelijke monsters, en wangunstige zeegoden, die vriend nog vijand verschoonen maar alles wat in hunne magt vervalt aan hunne woede opofferen. een der Schepen die uit de Indiesche gewesten den geurigen Caneel en al den overvloed der Specerijen tot ons overbrengen naderde deze plaatse. de Tritons bliezen reeds op hunne watertrompetten ten teeken voor de Eilanders dat een schip hunne stranden naderde. even als een pijl die door de sterke hand eens Indiaans van den boog gedreven met een onnaarspeurelijke vlugt de dunne lucht doorklieft, even zoo bruischte dit schip 

door den sterken westenwind gedreven door de dartelende baren. nu zullen wij (riep een der bootsgezellen) eerlang den vaderlandschen grond betreden! – maar ach! ik schrik! gij zelve o febus! gij zelve schooft van schrik een gordijn voor uwe heerlijkheid. – een schriklijk monster stak aan de rechterzijde van het schip het hooft uit de golven. de grijze watergoden rezen de haaren te berge. De stroomgodessen riepen met een verwarde stemme; dat Nephtunis ons behoede! – De stuurman beefde, en wende van schrik het roer aan een verkeerde zijde. straks hoorde men een verwart geroep; wij zijn verlooren! – intusschen daalde het monster langzaam naar den afgrond. het zwaarbevragte schip zat op de bank. de golven verhieven zich als bergen, het geloei des winds met het geschreeuw der matroozen deden de grotten der nymphen tsidderen. eindelijk brak de zwaare kiel met een donderend geraas aan stukken. nu sloot Natuur haare oogen als onmagtig hare kinderen te redden. – mijn broeder! riep een ongelukkige, vaarwel! ik zal …… hier deed de dood hem in het zout verstikken. een der aanzienelijken van het oosten die hier geboren was herwaarts overgekomen om zijn vaderland nog eens te beschouwen zonk, wijl het goud hem dierbaarer was dan het leven. Dan een menschlievende visscher, (de grootmoedigheid bepaald zich aan geen rang) heeft het grootste gedeelte der ongelukkigen in de haven gebragt. eenmaal had de aarde op haren as omgewenteld sints die droevige schipbreuk, toen de gansche zee bedekt was met waaren uit het oosten. de geurige thee met de heete peper dreven omringt van schoone gevlamde riete staven naar onze stranden. de gansche natuur was nu bedaart, als luste het haar die schrikkelijke verwoestinge te beschouwen. – Gij mijn vriend! aan wien in dit verhaal toewije, Gij zult niet dan met ontroeringe aan den ramp dier ongelukkigen denken.

de Hemel bescherme het Volk dat de stranden van Azia bezoekt om het heil van ’t Vaderland te bevestigen! dat Zijne gunst de batavische kielen door den oceaan verzelle! zoo zullen de Eilanders juichen, terwijl de altaaren der dankbaarheid rooken!

Ik hebbe dichterlijke vrijheden gebruikt, en niet als historieschrijver te werk gegaan.

Berichten over een ramp

ZB 1045 A3J.W. te Water, Bericht wegens het verongelukte Oost-Indische schip Woestduin en de reddinge der schepelingen, Middelburg 1780. In bruikleen bij de Zeeuwse Bibliotheek.

ZB 1045 A3 J.W. te Water, Bericht wegens het verongelukte Oost-Indische schip Woestduin en de reddinge der schepelingen, Middelburg 1780.  In bruikleen bij de Zeeuwse Bibliotheek.

De Vlissingse predikant Jona Willem te Water beschreef de schipbreuk uitvoerig in het anoniem uitgegeven Bericht wegens het verongelukte Oost-Indische schip Woestduin en de reddinge der schepelingen door de gebroeders Naerebout, dat in december 1780 verscheen. Hij legde nadruk op de deugdzaamheid en menslievendheid van de Naerebouten: Sedert veele jaren hadden zij achtinge onder hunne medeburgers, als deugdzaame luiden, mannen met een geschikten wandel, hulpvaardig voor hunne medemenschen, en liefhebbers van den openbaaren Godsdienst. Een Engelsman had ook wel naar de plaats van de schipbreuk willen varen, maar die vroeg veel geld. Het edelmoedige hart van een rechtschapen Nederlander denkt geheel anders. Voordat Frans Naerebout in actie kon komen, moest hij wachten op gunstig tij. Daarom ging hij voor het eerst van zijn leven naar de schouwburg, waar ter gelegenheid van de Vlissingse kermis het Rotterdamsch Toneelgezelschap veertien dagen lang voorstellingen gaf. Van avond zal ik er eens een pietje (1/8 Zeeuwse rijksdaalder) aan wagen (…) dan kan ik vast mijn tij niet verslapen. 
Het was vooral Frans Naerebout die zijn maats aanzette om ondanks de zware storm mee te gaan en die ook later – toen het heel gevaarlijk was om dichter bij de wrakstukken van de Woestduyn te komen – de mannen inspireerde om door te gaan: hier valt om geen dood of leven te denken, dat moet er nu me deur. Toen ze de restanten van de Woestduyn ’s morgens tegen een uur of vier, vijf naderden, braken er opnieuw stukken af. Van het kleinste stuk konden met behulp van touwen vier mensen gered worden, de rest van de opvarenden klampte zich aan voor- en achtersteven vast. Die ochtend werden bij elkaar 71 mensen van de wrakstukken gehaald, onder welken zich eenen zwarten meid bevondt met drie kinders, aan haare zorge toevertrouwd, en aan welken zij, schoon zelve in een nijpend levensgevaar zijnde, haare tederste liefde bevestigde. Natuurlijk waren er hachelijke momenten. Jacob sloeg bijna overboord, maar kon nog net door Frans bij zijn benen gepakt worden. Terwijl Frans bezig was iemand binnenboord te krijgen, greep een andere drenkeling hem hardhandig bij zijn haren en belemmerde hem in zijn werk. Na enige tijd maakten de hoge zeeën het onmogelijk om verder te gaan en keerde men terug naar Vlissingen. Maar ’s middags ging men opnieuw en redde nog zestien mensen.

Gravures

De dramatische gebeurtenissen op zee werden door de Middelburgse zeeschilder Engel Hoogerheyden in tekeningen vastgelegd. Tekeningen die door Arend Fokke en Matthias de Sallieth in gravures werden omgezet en in eerste instantie via boekverkoper Johannes Abrahams in omloop werden gebracht. Op 16 oktober 1779 adverteerde de laatste in de Middelburgsche Courant dat er ingetekend kon worden op de vier ‘konstplaten’ van het vergaan van de Woestduyn. Veertien dagen later moest hij zijn oproep echter intrekken en in december was het boekverkoper Pieter Gillissen die de inschrijving opnieuw openstelde. Een jaar later konden de intekenaren tegen contante betaling hun prenten samen met een verslag van de gebeurtenissen ophalen.

Zelandia Illustrata III-232Het vergaan van de Woestduyn voor Walcheren. Gravure door en naar tekening van D. de Jong met adres van J. de Leeuw, 1779. Hoog 32 cm, breed 41,5 cm. In bruikleen bij het Zeeuws Archief.

De eerste gravure toont het vastlopen van de Woestduyn op de Noorderrassen. Twee sloepen met zeven mannen varen van het schip weg.

 

 

 

 

NAEREBOUTEN_gravure2De tweede gravure verbeeldt het kappen van de masten. Mannen zijn met bijlen aan het werk. Als teken dat het schip in nood verkeert, is de vlag gedeeltelijk opgerold.

 

 

 

 

NAEREBOUTEN_gravure3De derde prent maakt de hopeloze situatie in de vroege uren van de nacht duidelijk. De vlag verdwijnt in de golven. Tientallen mensen klampen zich aan wrakstukken vast.

 

 

 

 

NAEREBOUTEN_gravure4De vierde prent toont de redding. Linksvoor is de poon van de Naerebouts afgebeeld. Andere scheepjes komen dichterbij. Op wrakstukken heeft men provisorisch zeilen bevestigd en er wordt naar de kust gekoerst.

Engel Hoogerheyden (1740-1807) werd in Middelburg geboren en ging al jong naar zee. Nadat tijdens een reis een van zijn benen was afgezet, kreeg hij in 1766 in Middelburg een baantje bij de VOC als oppasser van de bierkelder. Hoe en waar hij leerde schilderen, is niet bekend. Zijn vroegst bekende werk dateert van 1772. Toen de Woestduyn in juli 1779 voor de kust van Walcheren verging, maakte Hoogerheyden tekeningen waarop de belangrijkste momenten als waarheidsgetrouw werden weergegeven. Ruim een jaar later waren ze in druk beschikbaar. Op de achtergrond van deze gravure, de eerste in de reeks, zijn de Walcherse duinen met de kerktorens van Westkapelle, Zoutelande en Vlissingen afgebeeld. De naam Woestduyn en het wapen van Amsterdam zijn op de spiegel van het schip te zien. Er wordt een sloep met zeven personen te water gelaten. Een tweede sloep met eveneens zeven personen vaart van het schip weg.

De lading

NAEREBOUTEN6Van de lading van de Woestduyn, die uitvoerig is beschreven in het tweede stuk van de Nieuwe Nederlandsche Jaerboeken van 1779, ging vrijwel alles verloren. Toch zijn enkele objecten die misschien in een kist zijn aangespoeld, bewaard gebleven. Zo bevinden zich in de collectie van het Zeeuws Genootschap twee porseleinen vissen en een aardewerken koffiekan, die van deWoestduyn afkomstig zijn. De twee porseleinen vissen die Marinus de Fouw op 5 februari 1778 uit Batavia opzond, waren bedoeld als geschenk voor zijn broer Jan.
Hij gaf ze mee aan Josephus de Jonge die aan boord van de Woestduyn de lange reis naar het vaderland zou maken.

Na de stranding van het schip voor de kust van Walcheren konden ze gelukkig geborgen worden, zodat ze alsnog hun bestemming bereikten.
In 1893 schonk de heer L.F. Karol de Fouw uit Nijmegen de twee vissen met bijbehorende correspondentie aan het Zeeuws Genootschap.

Zelandia Illustrata II-1274Grafmonument van Daniël O. Barwell in de Sint Jacobskerk te Vlissingen. Tekening in kleur, zonder naam en zonder jaar, begin 19de eeuw. Hoog 33,7 cm, breed 25,5 cm. In bruikleen bij het Zeeuws Archief.

Zelandia Illustrata II-1274 Grafmonument van Daniël O. Barwell in de Sint Jacobskerk te Vlissingen.  Tekening in kleur, zonder naam en zonder jaar, begin 19de eeuw. Hoog 33,7 cm, breed 25,5 cm.  In bruikleen bij het Zeeuws Archief.

Zelandia Illustrata III-397-5Grafmonument van D.O. Barwell in de Sint Jacobskerk te Vlissingen, na de brand van 1911. Foto. In bruikleen bij het Zeeuws Archief.

Zelandia Illustrata III-397-5 Grafmonument van D.O. Barwell in de Sint Jacobskerk te Vlissingen, na de brand van 1911. Foto.  In bruikleen bij het Zeeuws Archief.

Merkwaardig is ook het verhaal over de vermeende beroving van de rijke Engelsman Daniel O. Barwell, die tijdens de storm verdronk. Zijn lichaam werd eerst in Westkapelle begraven, maar later overgebracht naar Vlissingen, waar men in de Sint Jacobskerk een gedenkteken voor hem oprichtte. De heelmeester van deWoestduyn, Johan Paul Bladt, werd er door Barwells Engelse familieleden van beschuldigd edelstenen en andere kostbaarheden van Barwell geroofd te hebben. Hij werd in bewaring gesteld in Middelburg, maar wegens gebrek aan bewijs vrijgelaten. Als genoegdoening eiste Bladt daarna van de familie Barwell maar liefst 30.000 gulden. Hij kreeg bijna 9.200 gulden, wat hem na aftrek van kosten ruim 7.800 gulden opleverde.

 

 

 

De ‘Braave Naerebouten’

NAEREBOUTEN9In 1780 verscheen het eerste deel van de Handleiding tot de physionomiekunde. Fysionomiekunde of fysiognomiek was een tamelijk populaire, maar toen ook al niet onomstreden, pseudowetenschap, geïntroduceerd door Johann Caspar Lavater, die zich vooral bezighield met de vraag wat de bouw van iemands gelaat zei over zijn geaardheid.
In de handleiding komt een gravure voor met portretten van de redders van de Woestduyn, de gebroeders Naerebout en de Franse loods Boussard uit Dieppe. Boussard zou acht Fransen gered hebben. (Zie de lezing van mr. P. Pous, hoofdstuk 10.)
Uit het gezicht van Frans Naerebout blijkt zijn mannelijke onverschrokkenheid, met vrolijke goedheid en met de edelste oprechtheid gepaard… Bedrieg ik mij niet, dan ziet gij het bewijs daar van in zijn geheel voorkomen, en onder andere in ’t voortdringende van zijne kin, en van zijn geheel gelaat… Hoe veel mankracht woont’er niet in deeze oogen, door deze zagtloopende wenkbraauwen gedekt? De mond in dier voege geslooten, en deze lippen in zulk eene richting, heb ik bijna nooit ontmoet, zonder kracht van werkzaamheid met veel verpligtende goedheid gepaard. Over Jacob Naerebout staat er: Bij het goedige van deze lippen en van dit geheel gelaat, is de mond echter, vooral de loop van den neus van onderen tot aan den bovenlip, met een zweem van ongenoegen gedekt. Misschien dat hij niet al doen kan, wat hij wil; of zijn leven niet zo werkzaam kan slijten, als hij wel wenschte. Voeg hierbij zijn peinzend voorkomen en zijne meerdere verstandsoefening, hetwelk alles saamgenomen veelligt de reden is, waarom zijne onverschrokkene mannekracht, bij zijn gelaat niet zo ras in ’t oog loopt, dan bij dat van zijnen broeder. Vooral Frans Naerebout was een goedwillende held en dit werd bevestigd door de wetenschap van toen.

Eerbetoon

ZB 1078 C34Adriaan Loosjes Pz, De gebroeders Naerebout, 1792. Toneelstuk, geschenk van de auteur aan het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen. In bruikleen bij de Zeeuwse Bibliotheek.

ZB 1078 C34 Adriaan Loosjes Pz, De gebroeders Naerebout, 1792.  Toneelstuk, geschenk van de auteur aan het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen.  In bruikleen bij de Zeeuwse Bibliotheek.

Een paar maanden na de redding kwam de VOC over de brug met een zekere geldsomme ter belooninge van de menschlievendheid. Frans en Jacob Naerebout kregen elk driehonderd ponden. In het voorjaar van 1780 werden in een bijeenkomst van het Vlissingse Departement van de Oeconomische Tak van de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen te Haarlem een zilveren penning en 23 dukaten geschonken aan de beide Naerebouten. De secretaris N.C. Lambrechtsen, pensionaris van Vlissingen, hield bij die gelegenheid een toespraak die hij richtte tot Goede Vrienden en Medeburgers, braave Naerebouten. Op een heel andere manier werden de Naerebouten geëerd in een aan hen gewijd toneelspel in drie bedrijven van Adriaan Loosjes Pz uit 1792, De gebroeders Naerebout. In 1817 werd de oude Frans – zijn broer was al in 1793 overleden – nog voor een uitvoering in Amsterdam genood. Uit zedigheid heeft hij dit beleefdelijk afgeslagen. Het ging met zijn gezondheid niet goed.

Latere jaren

NAEREBOUTEN11Frans Naerebout kreeg een vaste baan als loods bij de VOC. Dat betekende dat hij nogal eens lang van huis was. Want hij moest meevaren. Vaak tot in Engeland, één keer zelfs tot aan Kaapstad. Daar werd hij herkend door iemand die door hem van deWoestduyn gered was. Het was een weerzien dat hij niet gauw zou vergeten, want hij werd toen geweldig gefêteerd. Naerebout deed in later jaren nog meer van zich spreken, bijvoorbeeld toen hij in 1788 de Zuiderburg, dat zijn roer verloren had, uit de ijsschotsen bevrijdde en naar Engeland bracht. Zijn laatste jaren vielen hem zwaar. In de jaren negentig werd het niet gemakkelijk op zee als gevolg van de oorlogssituatie. Er was weinig werk, al had men hem geholpen aan een baantje als lichtwachter van de vuurbaak in de Oost-Bevelandse polder ten noorden van Goes. Later werd hij ook nog haven- en sasmeester van het Goese Sas bij Wilhelminadorp. Maar zijn gezondheid ging sterk achteruit. Op een keer werd hij zelfs op de zeedijk gevonden, niet in staat om nog naar huis te komen. De halfblinde dichteres Petronella Moens, die Frans Naerebout kende en al eerder bij een gravure met de portretten van de Naerebouten een kort gedicht gemaakt had, beschreef zijn omstandigheden in die tijd jaren later in een brief:

NAEREBOUTEN12NAEREBOUTEN13Amice!
Het smart mij dat ik Uw(E.) niet dan zeer onvolledig kon antwoorden op Uwe vragen. Ik ben in 1811 in de Polder [
Wilhelminapolder] gekomen en vond toen F.N. [Frans Naerebout] (reeds?) in de zogenoemde Heerenkeet dit was ten gevolge van een ontmoeting, met UwEd. oude Heer (?). Waarschijnlijk in ’t Najaar 1809 daar de schorren reeds in April gekocht waren, of voorjaar 1810 by een bezoek der te bedijken Polder gegeven toen was F.N. in bekrompen omstandigheden, gebenificeerd (…?) van baten (…?) tot vlissingen (alwaar ook zijn vrouw en kinderen (…?) waren) met de aansteking der Lantaarn op de hoek van Oostb– [Oost-Beveland] in welk daar bij staande houte kotje of hutje, hij zijn verblijf hield. de Man daar ontdekt, werd bijzonder aanbevolen, aan den toenmaligen Do(minee ?) B(…?) en als Castelein in gen[oemde] Heerenkeet geplaatst, ik meen ofschoon van later datum, mogelijk – op conditie van vrije inwoning en f 104 ’s jaars – vervolgens dan met zijn gezin in de keet getrokken, werd hem door dezelfde voorspraak, de post van Sluiswachter door de fransche Prefect opgedragen. daar de Haven en Sluis nog niet aan die van Goes waren opgeleverd, ’t geen door veele wederwaardigheden niet voor (?) 1815 of 1816 is geschied. Of hij sedert tot op zijn dood in Augs. 1818 (…?) door de Stad gesalarieerd is, durf ik niet zeker zeggen, doch ik weet (?) dat hij vroeger door de fransche administratie betaald wierd als hebbende deswegens noch nader uit den franschen achterstand iets bekomen meerder bijzonderheden deswegens kan ik UwEd. niet opgeven. Of er in de voorlezing van de Kanter in de Verg. der Maatsch. Tot Nut van ’t Algemeen alhier, over hem gehouden meerder en juister zijn, weet ik niet. was C.C. te huis, zoo zoude die ook welligt uit de papieren van de oude Heer, UwEd. beter kunnen voldoen. Dan ik weet ze niet te vinden, en ook dan nog kan ik ze niet lezen. Of de wed. van Matth. Naerebout ook aantekeningen heeft van de oude man weet ik niet – doch verneem wel dat hij iets had – waar (in?) hij de voornaamste bijzonderheden zijns levens aantekende – hoe dit zij, dit weet ik, en hij wilde het ook zeer wel weten, dat door de bijzondere bemoeyingen van UwEd. onvergetelijke vader deeze brave der vergetelheid is ontrukt en van zijn Landgenoten en Vorst noch is geeerd en geacht geworden.
Heeft
UwEd. het Lofdicht van Nierstrasz niet. ik meen dat de oude Heer de ingredienten daar toe zoo wel als aan de voorlezing van Kanter heeft geleverd, en ook van ’s mans eigen aantekeningen daar toe heeft gebruik gemaakt –
Verschoon S.V.P. alles wat in dezen te verschonen valt, want ik kan niet zien wat ik schreef.
(…?)
wagt ik dan nader Uwe gevoelen (?) en blijf intusschen als altoos
TT
15
Septb 36 P. [Petronella Moens, vgl. Hs. 4465]
Opmerkingen:
-J. de Kanter Philz. hield op 6 september 1820 een voorlezing in het Middelburgse Departement van ’t Nut, opgenomen inVaderlandsche Letteroefeningen, november 1820 (met de daarop volgende polemiek vermeld in J.L. Nierstrasz jr, Frans Naerebout, Leeuwarden 1826, 2e dr., 99). Nierstrasz had de beschikking over een eigenhandig geschreven journaal van Naerebout.
-De ‘oude Heer’ van geadresseerde kan zijn geweest Gualtherus Jacob van den Bosch (1767-1836), die een belangrijke rol heeft gespeeld bij de inrichting en exploitatie van de Wilhelminapolder. Zie voor hem in relatie tot Naerebout: Nierstrasz, op.cit., 99 e.v. Geadresseerde is mogelijk zijn zoon Iman Gualtherus Jacob van den Bosch (1798-1880), directeur van de Wilhelminapolder.
-Volgens J. van der Baan, Wolfaartsdijk, geschetst als eiland en ambachtsheerlijkheid, als burgerlijke en kerkelijke gemeente van de vroegste tijden tot op heden, Goes 1866, 111 werd de Wilhelminapolder aanvankelijk Lodewijkspolder genoemd (besluit Lodewijk Napoleon dd 10-12-1808), maar werd in 1815 de naam veranderd in Wilhelminapolder naar de vrouw van Willem I (besluit Willem I dd 8-3-1815)

Financiële hulp

NAEREBOUTEN14In de laatste jaren van zijn leven werden er financiële voorzieningen voor Frans Naerebout getroffen. In het voorjaar van 1816 hield Pieter Pous, hoofdontvanger van de konvooien en licenten, voor het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen een lezing over zijn verdiensten, maar benadrukte tegelijkertijd de toch wel zeer wrange gevolgen in ’s mans leven. Nu hij bejaard was, bleek hij amper in staat zijn gezin te onderhouden. Naerebout mocht in de vergadering van de ‘heren’ niet aanwezig zijn, maar werd na afloop wel met 100 gulden bedeeld. Het Zeeuws Genootschap bracht de positie van Frans Naerebout ook onder de aandacht van koning Willem I, toen deze in Middelburg het museum van het genootschap bezocht. Naerebout werd bij die gelegenheid naast een door J.P. Bourjé van hem geschilderd portret geposteerd en de vorst zou toen gezegd hebben: Ei! Ei! De man staat ernaast; nu dat lijkent frappant! In het najaar van 1816 was hij al tot Broeder in de Orde van de Nederlandsche Leeuw benoemd met een jaarlijkse bijdrage van 200 gulden. In 1817 ontving Naerebout 500 gulden compensatie voor achterstallige inkomsten uit de Franse tijd. De Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen gaf hem 100 gulden, vermeerderd met 20 gulden uit de kas van het departement Goes. Het was dat Goese departement dat, na zijn overlijden op zeventigjarige leeftijd op 28 augustus 1818, voor zijn begrafenis en een zerk op zijn graf in de Grote Kerk van Goes zorgde. Hier rust de beroemde zeeman en edele Menschenvriend Frans Naerebout.

G 1619Portret van Frans Naerebout (1748-1818). Olieverf op doek door J.P. Bourjé, 1817, hoog 84 cm, breed 70 cm. In bruikleen bij het Zeeuws Maritiem MuZEEum te Vlissingen.

G 1619 Portret van Frans Naerebout (1748-1818). Olieverf op doek door J.P. Bourjé, 1817, hoog 84 cm, breed 70 cm.  In bruikleen bij het Zeeuws Maritiem MuZEEum te Vlissingen.

Dit portret van Frans Naerebout, de onverschrokken loods die in 1779 in de vliegende storm talloze opvarenden van de gestrandeWoestduyn wist te redden, werd in 1817 door de Middelburgse schilder Jan Pieter Bourjé (1774-1834) in opdracht van Admiraal Van Kinsbergen geschilderd. In augustus 1817 schonk deze het schilderij aan het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen. Een jaar later werd het door koning Willem I, die Middelburg bezocht ter ere van de opening van de nieuwe haven en daarbij ook het museum van het genootschap aandeed, bewonderd. De toen bijna zeventigjarige Naerebout was hierbij aanwezig en de koning nam de gelegenheid te baat de gelijkenis te toetsen.

 

 

 

 

Eeuwige roem

Zelandia Illustrata P05016Standbeeld van Frans Naerebout in het Bellamypark te Vlissingen, foto, 2de helft 20ste eeuw. In bruikleen bij het Zeeuws Archief.

Zelandia Illustrata P05016 Standbeeld van Frans Naerebout in het Bellamypark te Vlissingen, foto, 2de helft 20ste eeuw.  In bruikleen bij het Zeeuws Archief.

Na zijn dood begon Frans Naerebout als een bijna mythische figuur aan een nieuw leven. Verschillende portretten van deze held werden in omloop gebracht. Schrijvers als Bellamy, Feith, Loosjes en Nierstrasz jr. wijdden lyrische verzen en geschriften aan zijn daden. In een kinderboekje getiteld Leerzame vertellingen en deugdlievende voorbeelden uit het begin van de negentiende eeuw verscheen een mooi geïllustreerd verhaal. Jacob Stamperius schreef in 1890 een jongensboek over de wakkere mensenredder, dat vele malen herdrukt werd. Voor het loodswezen werd Naerebout een icoon. Bij Koninklijk Besluit van mei 1863 bepaalde koning Willem III, dat er altijd een loodsboot de naam Naerebout zou dragen. Hij kreeg een monument in Vlissingen en een ander bij het Goese Sas. Er zijn een school naar hem genoemd, een scoutinggroep en veel, heel veel schepen. Zelfs in het Zeeuwse volkslied zijn twee regels aan de redder van de Woestduyn gewijd: Dat immer hoog in eere houdt, Den onverschrokken Naerebout.

NAEREBOUTEN17

GM 1678Penning met een portret van Frans Naerebout, vervaardigd ter ere van de onthulling van het standbeeld in Vlissingen op 9 augustus 1919. In bruikleen bij het Zeeuws Museum.

GM 1678 Penning met een portret van Frans Naerebout,  vervaardigd ter ere van de onthulling van het standbeeld in Vlissingen op 9 augustus 1919.  In bruikleen bij het Zeeuws Museum.

Naerebout, geboren te Veere, is overleden en begraven te Goes. Honderd jaar na zijn sterfdag vatte men in Vlissingen het idee op een standbeeld voor hem op te richten. Op 9 augustus 1919 werd op de hoek van de Boulevard Bankert en de Coosje Buskesstraat een zandstenen standbeeld onthuld dat vervaardigd was door A.G. Lom. In november 1944 werd het onherstelbaar beschadigd. Een nieuw standbeeld van Naerebout ( zie eerste afbeelding van deze pagina), vervaardigd door Philip ten Klooster, werd in 1952 in het Bellamypark onthuld. Omdat het beeld regelmatig moest wijken voor evenementen werd het in 2007 verplaatst naar het bolwerk De Leugenaar aan de Boulevard De Ruyter.

 

ZB 780 B11Leerzame vertellingen en deugdlievende voorbeelden, 6e druk 1834. In bruikleen bij de Zeeuwse Bibliotheek.

ZB 780 B11 Leerzame vertellingen en deugdlievende voorbeelden, 6e druk 1834.  In bruikleen bij de Zeeuwse Bibliotheek.

In dit kinderboek, waarvan de tweede druk in 1810 verscheen, is het verhaal van de stranding van de Woestduyn met twee kleine gravures geïllustreerd.